Constructiewerken starten?

Beste buurtbewoners, vrienden, sympathisanten,

 

Het ziet er naar uit dat Mr. Werbrouck binnenkort zal starten met de constructie van zijn kippenfabriek op het mooie stuk weiland/akkerland in de Spinhoutstraat.

Althans we vermoeden dit omdat er de afgelopen dagen dikwijls mensen rondliepen op het stuk om alles te bekijken, soms in het gezelschap van Mr. Werbrouck zelf, soms alleen.

Ondanks het feit dat er nog verschillende beroepen lopen tegen zijn vestiging, mag hij in principe toch starten omdat geen enkel van deze beroepen opschortend is.

We hebben dit te danken aan het kortzichtige milieubeleid van Minister Joke Schauvliege en de incompetentie van de gedeputeerden bij de provincie.

Hoe groot moet een “open ruimte” zijn Joke vooraleer je het als een open ruimte wil bestempelen? Is meer dan 150 hectaren niet groot genoeg? Je offert ons prachtig landschap op aan een industrie (want laten we dit a.u.b. geen landbouw noemen) zonder toekomst op lange termijn. En wat dan? Het doet pijn u te horen zeggen dat er subsidies komen voor het verwijderen van beton, terwijl u hier toestemming geeft voor een voetbalveld beton in een onaangeroerd open landschap. En dan wordt verwacht van de burger dat hij dit beleid begrijpt.

Ook de provincie Oost-Vlaanderen die bij de gratie van een aantal pionnen gretig deze projecten goedkeurt tegen alle negatieve adviezen in. In jullie beleidsverklaring nemen jullie gretig woorden in de mond als behoud van open ruimte, duurzaamheid, korte keten om dan projecten goed te keuren die haaks staan op deze ideeën. Begrijpen wie begrijpen kan.

Als burger vind ik dergelijke praktijken afstotelijk en beledigend voor alle burgers. Het valt me op dat in deze verkiezingsstrijd alle partijen groener dan groen willen zijn. Men spreekt gretig over behoudt van open ruimte, behoudt van kleine landschapselementen, betonstop, klimaatdoelstellingen, trage wegen, duurzaamheid en korte keten. Maar in de praktijk komt het erop neer dat niemand deze ramp voor de buurt, het landschap en het milieu kan tegenhouden. Een historisch landschap met oude knotwilgen en een oude poel zal onherroepelijk verwoest worden. We kunnen dit enkel een grote schande noemen voor het politiek beleid in Vlaanderen.

 

Een woedende Zomergemnaar/Lievegemnaar.

 

 

Advertisements

Kan het ook anders?

Er verdwijnen 300 boeren per dag in de Europese Unie, aldus MO*. Dat zijn er voor Vlaanderen zo een 1.3 per dag of 9 boeren per week. Een schrijnend verhaal: we verliezen wat ooit onze trots was: ons rijke, gediversifieerde landbouwlandschap. Hoe is het ooit zover kunnen komen?

Eén en ander is te verklaren door het feit dat onze landbouwers “prijsnemers” in plaats van “prijszetters” zijn: ze zijn voor hun grondstoffen (bemesting, zaai- en plantgoed, pesticiden, …) afhankelijk van grote multinationals, die door hun schaalgrootte de prijs bepalen. Ook aan de andere kant van het spectrum zijn onze boeren prijsnemers: ze zien zich genoodzaakt om hun producten te verkopen aan grote distributeurs en warenhuizen, opnieuw vaak multinationals die de prijs bepalen. Met handen en voeten gebonden dus aan de prijs die door anderen wordt bepaald, niet langer eigenaar van hun eigen product. Tussen hamer en aambeeld.

Een stilaan dodelijke cocktail: instinctief lijkt de enige manier om uit deze situatie te geraken schaalvergroting en export. Paradoxaal genoeg maakt zo’n aanpak het allemaal nog erger. Niet alleen kunnen enkel de meer kapitaalkrachtige boeren zich een schaalvergroting permitteren, het is ook een strategie van “meer van hetzelfde”: door export wordt een landbouwer ironisch genoeg nóg afhankelijker van de internationale marktprijzen, en dus nóg meer prijsnemer dan prijszetter.

Kan het ook anders? Zo’n honderd jaar geleden had de gemiddelde landbouwer een pak meer controle over zijn productieproces: volledig lokale productie en consumptie, waardoor de landbouwer prijszetter was in plaats van prijsnemer. Een duurzaam systeem zou u denken, maar bedenk dat – voor u uit pure nostalgie en romantiek “terug naar vroeger” gaat schreeuwen – de gemiddelde boer in die periode ook straatarm was. Het was de tijd van grote onzekerheid: een veelbelovende oogst kon in een paar dagen tijd teloor gaan door plagen en ziektes, of door ongunstige weersomstandigheden. De landbouwer was dan wel prijszetter, soms was er eenvoudigweg niets om prijs van te zetten. Controle over de prijs, maar een marionet in het productieproces. De opkomst van mechanisatie en nieuwe landbouwtechnieken, maar vooral ook van gewasbeschermingsmiddelen en pesticiden, luidde een volkomen nieuw tijdperk in: de landbouwer kreeg zowel controle over de prijs als over het productieproces. Het startschot voor een duurzame landbouw hoor ik u denken, maar niets was minder waar.

Want wat is de eerste reflex van een mens in dergelijke omstandigheden: juist, gaan voor méér. Méér aardappelen, grotere bieten, … Een perfect logische reactie, geef hen eens ongelijk. Darwin noemde het al “survival of the fittest”, het zit in ons DNA ingebakken. Wat jammer genoeg niet in ons DNA zit, is de capaciteit om zomaar te kunnen inschatten wat precies “the fittest” is… Is het meer en groter? Of is het duurzamer? De geschiedenis, doorvlochten van failliete varkensboeren en over de kop gegane landbouwbedrijven, leert ons dat het alvast niet het eerste is.

Want hoezeer de komst van pesticiden en andere productieverhogende middelen ook een kans was om de landbouw te verduurzamen, hoe sterker het in werkelijkheid de start van de dodelijke wurggreep inluidde waar onze landbouw heden ten dage in is verstrengeld. Meer opbrengst betekende dat de boer niet langer al zijn producten lokaal kon slijten – hij had hier distributeurs voor nodig. Weg controle over de prijszetting. Meer opbrengst betekende ook de nood aan meer grondstoffen – ook daar de controle kwijt. Het gevolg kent u ondertussen.

Kan het ook anders? Een sterk punt van de lokale landbouw van pakweg honderd jaar geleden was zonder twijfel de lokale productie en verkoop, waardoor de boer prijszetter van zijn eigen producten bleef. En het probleem van de marionet in een productieproces van al dan niet volledig mislukte oogsten is ondertussen sterk gereduceerd. De huidige landbouwtechnologie biedt onze boeren, in tegenstelling tot honderd jaar geleden, een pak meer zekerheid wat betreft het succes van hun productieproces. Een aantal lokaal producerende en verkopende boeren toont alvast dat het kan: lokale, seizoensgebonden landbouw die zorgt voor een veerkrachtig, duurzaam landbouwbedrijf.

Zijn we  al zover op schaal Vlaanderen? Absoluut niet. Dergelijke transitie vraagt een landbouwbeleid met visie en durf, waarbij de sterke punten, het grondgebonden en lokale karakter van onze landbouw, worden versterkt, bijvoorbeeld door voluit in te zetten op lokale productie en nichemarkten in plaats van op massaproductie en export. Een landbouwbeleid dat zich richt op het langetermijnswelzijn van onze boeren, niet op het geldgewin van een aantal multinationals en grote spelers. Gaan voor grondgebonden, korte ketenlandbouw in plaats van voor agro-industrie: een landbouwbeleid waar zowel boer als burger beter van wordt.

Zo wordt iets wat vaak wordt afgedaan als “groene praat” of “nostalgisch gezwets” een verhaal dat elke politieke partij nauw aan het hart zou moeten liggen: het versterken van de eigen economie en het verduurzamen van de eigen maatschappij, met oog voor het algemeen welzijn op lange termijn.

Terug naar vroeger? Verre van, maar laat ons toch ook het kind niet met het badwater weggooien.

* MO* 127, Lente 2018, P309696, p. 48-52.

De boer broeit voort. De EU subsidieert de vervuiling van het Nederlandse platteland

 

In weerwil van nationale en Europese regelgeving kan de intensieve veeteelt gewoon doorgaan met vervuilen. De boeren vinden mazen in de wet en het aantal megastallen blijft toenemen.

door Romy van der BurghLuuk Sengers en Evert de Vos

 

Het Noord-Groningse Meedhuizen telt vierhonderd zielen en sinds deze week honderdduizend kippen. Want buiten de dorpskern, langs de kaarsrechte weg naar Delfzijl, liggen de megastallen van boer Veerman. Achter de traditionele Groningse herenboerderij doemen vier moderne roodgroene stalgebouwen op. De wieken van een windmolenpark zoeven op de achtergrond, het omliggende akkerland ligt braak.

In de nok van pluimveestal 1 mag Veerman 6873 ‘(grootouder)kippen van vleeskuikens jonger dan negentien weken’ stallen. Bij de eindgevel van stal 2 is zelfs plek voor 13.742 kippen. Aldus een uitbreidingsvergunning uit 2016. In het kader van de natuurbeschermingswet kreeg Veerman toen toestemming voor het uitbreiden/wijzigen van zijn ‘rundveehouderij en vleeskuikenhouderij’ tot 1619 runderen en in eerste instantie 85.000 en later 120.000 kippen.

Uit de recentste cijfers blijkt dat Veerman al vóór de uitbreiding een van de grootste vervuilers was op het Nederlandse platteland. In 2015 scheidden de vleeskuikens in zijn stallen al 10.100 kilo ammoniak af. Door de expansie komen daar nog eens tienduizenden kilo’s bij, ook al wordt de uitstoot per kip lager door een nieuw ventilatiesysteem. Met de uitbreiding maakt het bedrijf grote kans om over 2017 in de top te komen van onze ranglijst van vuile boerenbedrijven.

In 2015 stootten 49 veeteeltbedrijven in Nederland officieel zó veel ammoniak uit – minstens tien ton per jaar – dat ze net als industriële bedrijven hun vervuiling moeten melden bij de Europese Commissie en de Verenigde Naties, zo blijkt uit onderzoek door De Groene Amsterdammer. We namen de officiële lijst en de individuele bedrijven onder de loep en combineerden die met de verstrekte Europese subsidies. De uitkomsten waren verontrustend. Om te beginnen blijken de belangrijkste data waarop het milieu- en klimaatbeleid is gebaseerd verre van compleet. De lijst met stoffen is niet volledig én er staan verdacht weinig bedrijven op. In ons onderzoek zijn we veel meer mega- uitstoters van NH3 in de landbouw tegengekomen dan de 49 bedrijven die Nederland aan Europa rapporteert. ‘Dat horen er honderden te zijn’, stellen deskundigen.

Aan de vervuiling betalen we bovendien allemaal mee. Een kwart van de Europese lijst met 49 meest vervuilende runder-, varkens- en kippenboerderijen ontvangt landbouwsubsidie uit Brussel – in de helft van de gevallen meer dan tienduizend euro. Veerman in Groningen gaat ook hier aan kop met een steunbedrag van meer dan 93.000 euro. In omringende landen is het beeld precies hetzelfde: overal krijgen grote vervuilers aanzienlijke landbouwsubsidies.

Hoe kan het dat de landbouw mag blijven doorgaan met vervuilen, daar waar andere sectoren wél met echte restricties te maken krijgen? Hoe kan het dat er nog steeds milieuvergunningen voor megastallen worden verstrekt? Lankmoedige politici, de sterke landbouwlobby en te weinig gegevens die openbaar gemaakt (mogen of kunnen) worden vormen de reden dat de noodzakelijke milieu-innovatie van de landbouwsector in de modder is vastgeraakt.

Hoewel de indringende scherpe geur van ammoniak anders doet vermoeden, is ze niet direct schadelijk voor mensen. Althans niet in de hoeveelheden die van boerderijen of het land komen afgewaaid. Je moet al in een mesttank vallen (wat voor de boer een reëel gevaar is) om bedwelmd te raken. Vissen en andere waterdieren hebben minder geluk en leggen bij kleine hoeveelheden ammoniak in hun sloot al het loodje. Hetzelfde geldt voor planten: ammoniak bevat stikstof, dus voedsel, maar hoeveel stikstof planten op hun menu krijgen, luistert heel nauw. Ammoniak is op de eerste plaats een bedreiging voor de biodiversiteit. Of zoals de Wageningse hoogleraar en ammoniakdeskundige Oene Oenema het plastisch uitlegt: ‘In weilanden is het gras zo frisgroen, omdat het veel stikstof uit mest heeft gekregen. Maar kruiden en bloempjes zul je tussen dat gras niet meer ontdekken.’

Ammoniak bedreigt onze gezondheid op een indirecte manier. Niet alleen omdat we deels afhankelijk zijn van gewassen en vissen voor ons dieet, maar vooral omdat ammoniak de neiging heeft zich met andere kleine deeltje in de lucht te verbinden tot fijnstof. De nefaste gevolgen van fijnstof voor de mens zijn inmiddels goed gedocumenteerd en onomstreden, zoals ademhalingsproblemen, longkanker, aantasting van het hart en het zenuwstelsel en groei- en leerproblemen bij kinderen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) noemt fijnstof zonder omwegen ‘de grootste bedreiging voor de gezondheid’ in de moderne wereld.

Terwijl de uitstoot van fijnstof door de industrie- en vervoerssector sinds 1990 met tientallen procenten is gedaald, is ze in dezelfde periode in de landbouw sterk gestegen. In 2015 kwam 22 procent van de uitstoot van fijnstof voor rekening van de landbouw, en dan vooral van de veehouderij, met de kippen als koploper.

‘Het is vies , het stinkt, het is ongezond en de gemeente tolereert dingen die niet mogen.’ Een boze burger lucht in Nieuwsblad van het Noorden zijn hart over de pluimveestallen van Jasper Koning. In 2016 maakt deze zijn voornemen bekend om de capaciteit te verdubbelen van 61.000 naar 120.000 vleeskuikens. Het Groningse gehucht Wagenborgen beleeft de geboorte van een actiegroep. De gemeente Delfzijl zegt Koning de wacht aan, omdat hij nog steeds geen maatregelen heeft genomen om de stankoverlast te verminderen. Een actie voerende burger vindt een dreigbrief in zijn bus: ‘Als je ons nog langer dwarszit zullen we passende maatregelen nemen.’ Boer Koning ontkent dat de brief van hem komt. De sfeer in de plattelandsgemeente is verziekt, maar uiteindelijk krijgt Koning zijn vergunning.

En zo is het de afgelopen tijd op veel plaatsen gegaan. Van de top-49 megaboeren in de Europese lijst zijn er minstens vijftien – voor zover we hebben kunnen nagaan – die een gevecht (hebben) moeten leveren met omwonenden. Taaie klachtenprocedures, waarin bewoners bezwaar maken tegen uitbreiding van stallen, wegens de stank, de gezondheidsrisico’s en de waardedaling van hun huizen, zijn op het vredige platteland geen uitzondering meer. Zo berichtte het Eindhovens Dagblad in 2013 over de enorme uitbreiding van boer Engelens stal in het Brabantse Someren. Hoewel drie milieuorganisaties protesteerden tegen de uitbreiding van de stal werd een vergunning verleend voor het verdubbelen van het pluimvee, waardoor het bedrijf nu negentigduizend kippen kan houden.

Bij alle vijftien procedures trokken omwonenden aan het kortste eind, zelfs als ze ogenschijnlijk de wet aan hun kant hadden. Volgens richtlijnen moet er een afstand van 256 meter zijn tussen een boerenbedrijf en de woningen. In Baarle-Nassau bijvoorbeeld telden bewoners maar 77 meter en toch kreeg varkenshouderij Bervoets een nieuwe vergunning om uit te breiden van 9400 naar 17.000 varkens.

Bijzonder bezocht is de Noord- Limburgse gemeente Horst aan de Maas. ‘Het epicentrum van de varkenshouderij’, zoals een provinciale inspecteur het tegenover ons noemt. In 2006 maakt Heideveld Varkens het plan wereldkundig om met andere zakenpartners in de gemeente de grootste megastal van Nederland te bouwen, met 35.000 varkens, 1,2 miljoen kippen, een slachterij en een mestvergistingsinstallatie. Niet alleen de omvang was ongehoord in Nederland, maar ook de manier waarop de dieren zouden worden gehouden: kuikens zouden letterlijk op een traag bewegende lopende band worden getransporteerd naar hun bestemming als kiloknaller. Het kabinet keek goedkeurend toe: zulke ‘Nieuwe Gemengde Bedrijven’ leken de toekomst.

De burger dacht daar anders over. Op initiatief van de SP en met de steun van lokale huisartsen en een biologische tuinder die het megabedrijf als buurman zou krijgen ging de deelgemeente Grubbenvorst in verzet. De actieposter toont een meisje op een schommel met een gasmaskertje op. Tien jaar hebben ze de bouw weten tegen te houden, met procedures tot aan de Raad van State. Maar uiteindelijk komt de mega -megastal er toch: de eerste silo’s zijn al verrezen.

Een nieuwe uitdaging dient zich aan voor het Maasdorp: zojuist heeft de provincie groen licht gegeven voor de bouw van de grootste mestverwerkingsfabriek in Nederland, met een capaciteit van zeventig volle vrachtwagens per dag. De mest wordt er straks klaargemaakt voor export naar voornamelijk Duitsland, waar telers het product zullen afnemen als alternatief voor kunstmest. So far so good. Maar hoeveel ammoniak komt daar straks bij vrij? ‘Goede vraag’, reageert deskundige Oenema. ‘Grootschalige mestverwerkinginstallaties zijn een lacune in onze kennis, omdat we hier nog nooit metingen hebben kunnen doen. Op papier kun je mestverwerking verkopen als een gesloten proces, maar in de praktijk is ammoniak een heel dynamisch gas, dat allerlei manieren vindt om weg te lekken.’ Toch zag de provincie Limburg, toen ze de vergunning afgaf geen vuiltje aan de lucht.

De stroom berichten uit de regionale pers maakt één ding duidelijk: gemeentebesturen werpen geen noemenswaardige drempels op tegen megastallen. Politici van VVD, CDA en lokale partijen kiezen vaak de kant van de industriële boeren en Den Haag en Brussel geven hun die ruimte.

Het is genoeg geweest: de fijnstofuitstoot van boerderijen moet gehalveerd! Die boodschap kregen boerenorganisaties vorig jaar van toenmalig staatssecretaris van Economische Zaken Martijn van Dam (PVDA). Ferme taal, maar deze kon niet verhullen dat Nederlandse regeringen toen al zes jaar treuzelden om Europese emissiegrenzen voor fijnstof te vertalen naar concrete eisen voor de landbouw.

Begin jaren 2000 zette Nederland de Europese fijnstofnormen om in landelijke wetten, die echter algemeen bleven en zich niet specifiek op de landbouw toespitsten. Nederland slaagde er maar niet in de EU-normen te halen, dus werd in 2009 het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgericht. Daarin was wel aandacht voor de landbouw, maar werden nog geen landbouwspecifieke regels opgesteld. Wel werd tegen 2011 een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) beloofd om landbouwers te dwingen moderne technieken te gebruiken om hun uitstoot te reduceren. De AMvB kwam er uiteindelijk pas in de zomer van 2015 en hield de facto een verplichting tot fijnstofreductie van dertig procent in voor de landbouwsector. Vijf jaar tussen aankondiging en besluit, terwijl Nederland al sinds 2011 definitief gebonden was aan de Europese regels.

Pas na publicatie van een RIVM- rapport over de volksgezondheid in de zomer van 2016 kwam de bal aan het rollen: het kabinet, de staatssecretarissen Martijn van Dam en Sharon Dijksma (PVDA) voorop, beseften dat de huidige maatregelen niet voldeden. In de Kamer erkende Dijksma dat ‘de grenswaarden van fijnstof in de directe omgeving van veehouderijen vaak worden overschreden’, en dat daarom een ‘discussie’ met de pluimveesector werd gevoerd. De staatssecretaris benadrukte in februari dat dit ‘in goed overleg met de pluimveesector’ werd gedaan, maar gaf toe dat ‘het wel ingewikkeld is om samen tot een goede ambitie te komen. Dat is een heel spannend proces, ook voor de sector.’ Zo spannend dat de pluimveesector zich twee weken later terugtrok uit de onderhandelingen, zodat het akkoord aan diggelen lag.

In juni 2017 verklaarde Van Dam dan maar eenzijdig dat de fijnstofuitstoot bij nieuwe pluimveebedrijven met zeventig procent en bij bestaande met vijftig procent omlaag moest. De sector liet direct weten het niet eens te zijn met de beslissing. Het thema werd echter controversieel verklaard en er is geen woord van terug te vinden in het regeerakkoord van het huidige kabinet.

En het wordt nog gekker. Tussen 2003 en 2015 explodeerde het aantal megastallen in Nederland, van 301 naar 803. Omdat we in Nederland niet opkijken van de zoveelste loods tussen de weilanden spreken we in Nederland pas van een ‘megastal’ als er minstens 7500 vleesvarkens, 1200 fokvarkens of 120.000 legkippen in zijn ondergebracht – dat is drie keer zo veel dieren als de ondergrens die de EU hanteert voor grote vervuilers die hun uitstoot bij haar moeten rapporteren. In 2015 zette het kabinet de rem op de groei van megastallen. Er mochten er geen meer bij komen.

Maar sindsdien zijn er nog eens 47 gigantische dierfabrieken verrezen. Zoals die van Veerman in Groningen en de super- megastal in Grubbenvorst. Hoe dat kan? Door een maas in de wet: alleen nieuwe megastallen werden verboden; bestaande bedrijven mogen wel nog steeds worden uitgebreid tot megastallen.

Omdat de zeewind het gebied regelmatig schoon blaast, mag boer Veerman gerust vier keer zo veel ammoniak uitstoten

Kamerlid Rik Grashoff schiet in de lach als we hem vragen waarom de overheid toch zo’n moeite heeft om regels op te leggen aan de veeteeltsector. ‘Hoe dat komt? Omdat de sector tegenstribbelt. En omdat de sector veel invloed heeft bij een aantal politieke partijen, met name bij het CDA en de VVD’, zegt de GroenLinkser vanuit zijn kantoortje in Den Haag.

Intense banden tussen de sector (koepelorganisatie LTO) en partijpolitici zorgen voor een sterk landbouwfront. Neem de twee nieuwe woordvoerders voor landbouw van het CDA: Jaco Geurts en Maurits von Martels, beiden veehouder of ex-veehouder. Geurts was volgens zijn eigen LinkedIn- profiel negen jaar lang bestuurslid van de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (dat hij van 2006 tot 2012 combineerde met zijn functie als raadslid van Barneveld). Von Martels werd met de slogan ‘Méér boerenverstand in de Tweede Kamer’ verkozen tot Kamerlid. Voor de VVD is Helma Lodders woordvoerder voor landbouw. Vakblad Boerderij omschrijft haar als ‘dé landbouwvrouw van regeringspartij VVD’ die ‘mede aan de touwtjes van het Haagse landbouwbeleid trekt’, waar ze openlijk voor minder regels pleit.

Van de lokale en landelijke politiek naar de Europese. Tussen 2014 en 2020 kunnen Nederlandse boeren aanspraak maken op 701 miljoen euro Europese landbouwsubsidie. Geld afkomstig uit de grootste post op de begroting van de EU: het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dit jaar is een belangrijk jaar voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Eens in de zes jaar wordt de regeling tegen het licht gehouden en aangepast. De volgende verbouwing is in 2019. Maar alle belangrijke voorbereidende schermutselingen (of ‘consultatierondes’) vinden dít jaar plaats. Milieuorganisaties als Greenpeace eisen dat er voor het verstrekken van subsidies voortaan veel meer gekeken wordt naar de milieuprestaties van de boeren.

Bij de laatste hervorming, in 2013, is een eerste voorzichtige aanzet gegeven. Een nieuwe spelregel, met de koosnaam ‘greening’, moest boeren aanzetten tot vergroening. Sindsdien moeten ze dertig procent van het geld gebruiken voor groene maatregelen, zoals verschillende gewassen verbouwen, een deel van het land permanent als grasland aanhouden of elementen aanbrengen die goed zijn voor de biodiversiteit, zoals bomen, heggen en braakliggend terrein. Maar, klagen milieuorganisaties, de eisen zijn zo minimaal dat de meeste grotere boeren er vóór de invoering al aan voldeden. Bovendien, concludeerde de Europese Rekenkamer twee jaar geleden, heeft de Commissie te weinig informatie om te controleren of de boeren zich wel aan de opgelegde regels houden. ‘De Commissie kan niet zeker weten of de subsidies wel bijdragen aan een duurzamere en milieuvriendelijkere landbouw in de EU.’ Het subsidiebedrag wordt bepaald op basis van de oppervlakte land die een boer in bezit heeft. Wat hij vervolgens met dat geld doet, is zijn eigen zaak. Hij mag er gerust zijn stallen van uitbreiden. Onderzoeksjournalisten in verschillende EU-landen zijn afgelopen maanden net als wij op de landbouwdata gedoken. Dat heeft geleid tot een vruchtbare uitwisseling van informatie en ervaringen. Overal in Europa is het beeld hetzelfde: er bestaat nauwelijks een verband tussen het geld dat de boeren uit Brussel krijgen en hun zorg voor onze leefomgeving. De subsidie lijkt eerder de toename van intensieve veehouderij te stimuleren.

Ter illustratie weer even terug naar boer Veerman: in 2016 kreeg hij, ondanks het feit dat zijn bedrijf tot de grootste vervuilers van het land behoorde, toestemming voor een verviervoudiging van zijn activiteiten. Zijn stallen liggen namelijk aan de rand van het Waddengebied, waar ‘de aanwezige achtergronddepositie lager is dan de kritische depositiewaarde van de habitat’, aldus de vergunningverleners. ‘Derhalve is er geen sprake van een significant negatief effect.’ Met andere woorden: omdat de zeewind het gebied regelmatig schoon blaast, mag Veerman met een gerust hart vier keer zoveel ammoniak uitstoten.

Hebben de Europese beleidsmakers eigenlijk wel een goed beeld van de vervuiling door de landbouw? Het verraste de ervaren datajournalisten in Europa hoe moeilijk het is om betrouwbare getallen te vinden. Wat er uit stallen ontsnapt, blijkt lang niet zo secuur te worden bijgehouden als wat er uit industriële schoorstenen komt. Grote agrarische bedrijven zijn, net als industrieën, verplicht om hun uitstoot van schadelijke stoffen aan Brussel te melden. In Nederland hebben 49 veeteeltbedrijven dat keurig gedaan, aldus het European Pollution Release and Transfer Register (E-PRTR), de officiële databank waarin de industriële vervuiling wordt bijgehouden. 49? Terwijl er 34.000 veeteeltbedrijven zijn in Nederland, waaronder ruim achthonderd megastallen?

We namen de proef op de som. De ondergrens waarbij boeren verplicht worden om hun ammoniakvervuiling openbaar te maken, is een uitstoot van tienduizend kilo per jaar. Alleen al in de gemeente Venray, met de grootste concentratie van veeteeltbedrijven in Nederland, blijken er elf megaboerderijen te zijn die boven deze limiet uit komen, en die niet in de Europese lijst staan.

Van hetzelfde laken een pak in de provincie Noord-Brabant. Hier hebben maar liefst 108 bedrijven een vergunning om meer dan tienduizend kilo uit te stoten. Een enkeling zal misschien tijdelijk een stal even leeg laten staan, maar de ervaring leert dat het merendeel van de boeren zijn vergunning volledig gebruikt. De steekproeven zijn op ons verzoek uitgevoerd door de Regionale Uitvoeringsdiensten, die verantwoordelijk zijn voor de milieu-inspecties in hun gebied.

Waarom zijn er provinciaal zoveel meer mega- uitstoters bekend dan er in de verplichte Europese databank staan? Volgens Frits van der Schans van CLM, een adviesbureau op het gebied van landbouw en natuur, ‘leggen sommige provincies daar nu eenmaal minder prioriteit bij’. Uit ervaring weet hij dat niet alle databases in de provincies op orde zijn. ‘En als je met vervuilde bestanden werkt, is het erg lastig om de juiste data via het RIVM naar Europa te krijgen. Onjuiste databestanden bemoeilijken ook de handhaving en wat betreft handhaving hebben we in Europa al een slechte naam.’ De EU heeft volgens hem inmiddels genoeg van de gebrekkige controle van de normen in Nederland: ‘Recent heeft de EU-commissie laten weten een strengere handhaving en gerichte aanpak van mestfraude te verwachten.’

Behalve ammoniak brengen agrarische bedrijven ook zwaveldioxide, stikstofoxiden en methaan in de lucht. Maar over deze vervuiling vind je nóg minder terug in het E-PRTR. Bijvoorbeeld: slechts acht boeren in Nederland rapporteerden in 2015 ook uitstoot van methaan, terwijl álle varkens methaan produceren. Gevraagd om een verklaring zegt de European Environment Agency (EEA), die de database beheert, dat veel bedrijven ‘blijkbaar’ niet boven de afgesproken drempel uit komen waarbij ze moeten melden. Maar ze geeft ook toe dat haar data niet compleet zijn. ‘We werken er hard aan om de rapportages door de lidstaten verder te verbeteren.’

Door de gebrekkige Nederlandse rapportage blijft een groot deel van de ammoniakvervuiling door de Nederlandse agrarische sector onder de Europese radar. Hetzelfde ontdekten collega’s in andere EU-landen. Dus zelfs als Brussel de landbouwsubsidies meer afhankelijk maakt van de milieuprestaties van de boeren, hoe wil ze dat dan controleren?

Het onderzoek

Voor ons onderzoek hebben we twee belangrijke databases aan elkaar gekoppeld. De data over de ammoniakuitstoot van boerenbedrijven komen uit het European Pollution Release and Transfer Register (E-PRTR). Deze database wordt beheerd door de Europese Commissie en de gegevens worden aangeleverd door de lidstaten (in Nederland moeten boeren hun ammoniakuitstoot onder andere jaarlijks opgeven in het kader van de Meststoffenwet). Ook de data over landbouwsubsidies worden bijgehouden door de Europese Commissie, maar de openbaarmaking wordt overgelaten aan de lidstaten. Nederland heeft die taak toegewezen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, die jaarlijks online gegevens publiceert. De datajournalisten Nils Mulvad in Denemarken en Stefan Wehrmeyer in Duitsland hebben ons geholpen met het ‘scrapen’ van de databases. In Nederland heeft Simon Grymonprez bij de research geholpen.

Luchtwassers leken lang een oplossing te bieden. Deze filteren het stinkende ammoniak uit de stal en scheiden het in water en stikstof. De stikstof kan daarna weer als veredelaar op het land worden gebracht. Maar binnenkort publiceren het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de Universiteit Wageningen een onderzoek dat naar verluidt een forse deuk slaat in de reputatie van deze techniek, waarin één op de tien boeren inmiddels (gedwongen) heeft geïnvesteerd. Het ministerie noch de universiteit wilde ons al iets over de inhoud zeggen. Maar volgens het Eindhovens Dagblad luidt de conclusie: ‘Gecombineerde luchtwassers blijken in de praktijk veel minder stank uit stallen te filteren dan tot nu toe werd aangenomen.’ Ook het filteren van de ammoniak schijnt tegen te vallen. Als dat inderdaad de conclusie blijkt, zijn veel vergunningen verleend op basis van verkeerde cijfers. Op het provinciehuis in Den Bosch zou al een spoedoverleg met alle wethouders zijn gepland op de dag dat het rapport verschijnt.

‘De huidige technieken om emissies te reduceren zijn als een EHBO-doos met pleisters’, stelt Albert Winkel, die aan de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek doet naar landbouw en omgeving. ‘Die EHBO-kit is heel erg nodig, maar blijft een noodoplossing.’

Veel reductietechnieken brengen volgens Winkel weer nieuwe problemen met zich mee. Boeren die leghennen houden, kiezen bijvoorbeeld vaak voor mestdroogtunnels, een techniek waarbij de uitstoot van fijnstof 30 tot 55 procent gereduceerd kan worden. Bij het proces komen echter ammoniak en geur vrij. ‘Dat is een hiaat in de regelgeving’, zegt Winkel. ‘Mestdroogtunnels hebben in de regel geen emissiewaarde voor geur en een heel lage, onjuiste waarde voor ammoniak. Je dreigt het probleem gewoon te verplaatsen.’

Ook wordt soms gekozen voor het aanpassen van de ventilatie. Boeren zorgen ervoor dat het fijnstof met grote snelheid en verticaal naar boven de atmosfeer in wordt gestuwd. Die techniek leidt dan wel tot meer verdunning, maar ook tot een grotere verspreiding. Winkel: ‘Je verkleint de uitstoot niet. Je vermijdt alleen de verhoging van stofconcentraties in de directe omgeving van de stal. Maar ook hier is de vraag: verplaats je gewoon het probleem niet?’ De enige oplossing die er lijkt te zijn is het terugdringen van het aantal grootschalige veehouderijen.

In het Overijsselse gehucht Nederland, aan de rand van het natuurgebied de Weerribben, delen 26 inwoners de ruimte met 260 koeien. Die beesten scharrelen in de stal van biologische boer Klaas de Lange. ‘Het zijn er bijna net zo veel als dertig jaar geleden’, vertelt De Lange in zijn kantoor boven in de stal. ‘Alleen waren hier toen nog tien boerderijen die elk ongeveer 25 koeien hadden. De mate waarin we hier de grond belasten, is dus al die jaren hetzelfde gebleven.’

Beneden schuifelen de koeien rustig door elkaar. Soms staan ze in een rij langs de kant te eten, soms liggen ze in een middengebied in boxen te herkauwen en regelmatig vormen ze een rij voor de machine als ze gemolken willen worden. ‘Ze willen zelf de melk kwijt en gaan dan in een hokje staan waar de uiers door middel van sensoren worden aangesloten, de tepels worden gemasseerd en dan begint het melken’, legt De Lange uit. Zijn koeien worden niet extra bijgevoerd om de melkflow te stimuleren, benadrukt de bioboer, hierdoor komen er minder gassen vrij. De poep, die elke week verwijderd wordt, mengt hij met oud gras uit het natuurgebied. Zo ontstaat de ideale compost. ‘Wij hebben bewust één koe per hectare grond, we zijn een extensief bedrijf, de bodem is onze schatkamer en met deze hoeveelheid mest houden we de grond gezond.’ Ter vergelijking: boeren met megastallen moeten de mest van minstens vier koeien op een hectare kwijt.

De Lange was samen met zijn vader een van de eerste bioboeren in Nederland. Er was echter nog geen markt voor biologische melk. ‘We leverden gewoon aan de melkfabriek en kregen dezelfde prijs als de andere boeren.’ Hij begon met een eigen merk, Weerribben Zuivel, en leverde aan bewuste consumenten. Twintig jaar later is dit uitgegroeid tot een mini-melkfabriek achter zijn traditionele boerderij waar nu vijftig mensen werken. De melk die ’s middags uit de koe is gekomen en meteen is gepasteuriseerd, vervoert hij met yoghurt, kwark en skyr ’s nachts naar Amsterdam, naar bedrijven als Marqt – waar Klaas de Lange medeoprichter van is – en andere eco-winkels. ‘Zo’n tien andere bioboeren in de buurt doen nu ook mee en ik kan ze voor drie jaar een vaste prijs van 55 cent per liter garanderen. Doordat alle tussenhandel weg is, kost een pak halfvolle melk één euro negen, vrijwel dezelfde prijs als bij Albert Heijn.’

In technische oplossingen voor het bestrijden van fijnstof en ammoniak, zoals luchtwassers, gelooft De Lange niet. ‘Ook dan blijf je met die stoffen zitten. We moeten van de grootschalige productie af. Grootschalige megastallen horen niet in Nederland. De aarde wordt te zwaar belast, we vervuilen de grond met te veel mest’. Ook over subsidies is hij niet te spreken. Hij begrijpt dat het voor veel boeren een noodzakelijke inkomenssteun is. ‘Maar het is geen duurzaam systeem. Wij hebben nooit subsidie aangevraagd.’ Volgens De Lange is er eigenlijk maar één oplossing: Nederland moet kiezen voor meer extensieve veehouderij. ‘We zijn een klein land, waarom moeten we dan zoveel vlees en zuivel exporteren? Het zal een geleidelijk proces moeten zijn en boeren die veranderen zullen ondersteund moeten worden, maar de vervuiling zal pas echt verminderen als we het aantal dieren niet laten stijgen.’

De Nederlandse veetelers rennen echter verschillende kanten op. Een klein deel kiest net als De Lange voor extensieve (biologische) teelt, een groot deel stopt en verkoopt de productierechten – moe van alle regels en de lage prijzen – en een deel kiest, net als boer Veerman in Meedhuizen, voor industriële productie en voor een industriële oplossing van het mestprobleem. Maar wat de keuze ook is, de productie van ammoniak en fijnstof zál omlaag moeten. Voor de volksgezondheid en de bescherming van kwetsbare natuur, weet deskundige Frits van der Schans.

Eerste sneukelwandeling Liever Open Ruimte

Wandeling voor open ruimte en gezonde leefomgeving

Op zondag 29 april organiseert actiecomité Liever Open Ruimte een wandeling om de juridische strijd tegen de komst van een kippenkwekerij in de Spinhoutstraat in Zomergem verder te financieren.

“Deze wandeling is nodig om middelen in de lade te brengen, want die juridische stappen zijn duur. Maar we willen ook een signaal geven” zegt Wim La Fontaine, woordvoerder van het actiecomité. “We willen tonen hoe mooi de open ruimte hier nog is en hoe dierbaar onze gezondheid ons is, ook voor degenen die na ons komen.”

 

20180327_FlyerLieverOpenRuimte

De buurt schrijft naar Joke Schauvliege

14/02/2018

Mevrouw de Minister

U hebt geen idee hoeveel gezinnen in Zomergem en omstreken u hebt teleurgesteld door een milieuvergunning te verlenen aan de kippenfabriek van Mr. Werbrouck, te bouwen in de Spinhoutstraat te Zomergem. Om de belangen van één gezin en de veevoederindustrie te laten primeren op de vernietiging van een historisch landschap en een gezonde leefomgeving. Er zijn geen woorden sterk genoeg om ons ongeloof en onze woede uit te drukken.

Uw medewerker schreef dat u naar dit prachtig stukje Zomergem bent komen kijken maar dit geloven wij echt niet! Komen kijken om dan te zeggen dat dit geen “open vergezicht” is, tart iedere verbeelding!

U heeft beslist om geen beleid te voeren, maar om gewoon onvolledige adviezen te volgen vol halve waarheden.

Begrijpen wie begrijpen kan, ….

In een tijdperk waar iedereen, ook de overheid, de mond vol heeft over korte keten, duurzaamheid, diversifiëring en grondgebonden landbouw, gaat Vlaanderen inzetten op een mega KIPPEN-industrie, niet voor binnenlandse consumptie, maar voor de export. Kippen die volgepropt worden met aangevoerd krachtvoer. Korte keten = nee, duurzaamheid = nee, gediversifieerd = nee, grondgebonden = nee. De “kippen” worden de “varkens”  van de toekomst. Hoe gaat het gezegde ook weer: een ezel stoot zich geen twee keer…

In een tijdperk waar alle wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat iedereen steeds minder vlees gaat eten en dat deze tendens zich zal doorzetten, gaat Vlaanderen inzetten op een mega KIPPEN-industrie.

In een tijdperk waar alle wetenschappelijk onderzoek waarschuwt dat we ons huidig voedselpatroon niet kunnen blijven aanhouden en dat het aantal slachtdieren best niet meer toeneemt, gaat Vlaanderen inzetten op  een mega KIPPEN-industrie.

In een tijdperk waar zoveel landbouwers klagen over het tekort aan akkerland, gaan we op wat nog rest aan akkerland en weiland nog wat mega-KIPPENstallen bijbouwen om op die manier het mooie landschap van weleer compleet te vernietigen voor de komende generaties en dit enkel voor het winstbejag  van de veevoederindustrie.

In een tijdperk waar we overspoeld worden met “klimaatacties” vanuit de Vlaamse overheid en de provincie gaat Vlaanderen inzetten op een vervuilende  KIPPEN-industrie zonder toekomst op lange termijn. En dan wil men ons doen geloven dat de luchtkwaliteit en de uitstoot van fijn stof ernstig wordt genomen…

In een tijdperk waar men de mond vol heeft over klimaatopwarming en waar soms zelfs kleine opritten niet meer mogen geplaveid worden, geeft u toestemming  tot meer dan 8000 vierkante meter verharding in een gebied dat altijd drassig is en nu al dikwijls onder water staat.

In een tijdperk waar iedere week wel een schandaal aan het licht komt op vlak van dierenleed en infecties, gaat Vlaanderen inzetten op nog grotere concentraties dieren en nog grotere KIPPENstallen. Stallen waar 40000 dieren opeengestapeld zitten die nooit het daglicht zien en die 24u per dag krachtvoer moeten eten …

Dus een dikke proficiat aan u, aan gedeputeerde Vercamer, aan de  Provincie Oost-Vlaanderen,  voor dit staaltje van kortzichtig korte termijn denken, waardoor voor de komende generaties ons landschap, onze luchtkwaliteit, de biodiversiteit en de grondgebonden landbouw verder wordt om zeep wordt geholpen en dit voor het winstbejag van enkelingen. We hadden gehoopt dat u een “beleid-maker” was, niet dus.

De uitspraak “Après nous, le déluge” (1757) heeft nog niets aan actualiteit verloren…

Proficiat, proficiat, proficiat.

Katrien De Muynck, Haagstraat – Zomergem.

*************************************************************************************

13/02/2018

Geachte Mevrouw de Minister,

De buurt rond de Spinhoutstraat begrijpt nog steeds Uw beslissing niet tot aanleveren van de nodige vergunningen tot bouw van de kippenfabriek.

Iedereen is tegen, en toch worden de beslissingen van elke afzonderlijke instantie niet verder onderzocht of afgewezen.

Watertoets: de zone is een overstromingszone. Elk jaar opnieuw … ondanks het feit dat de provincie elk jaar weer grachten en meetjes laat zuiver maken … staat het hier onder water. Door weerom extra verharding te plaatsen door bouw van dit gevaarte en verharding er om heen, verkleint de zone van infiltratie en komt er weer dakoppervlak bij dat op een kleinere oppervlakte moet infiltreren. We kunnen niet blijven water evacueren, dit zorgt voor een daling van het grondwater. Het duurt jaren voordat het grondwaterpeil hoog genoeg zal staan. En dit gaat blijven zakken, want de kippenfabriek zal heel veel water oppompen = water uit de ondergrond, waar het peil nu al laag van staat. Er zit namelijk op een 6-tal meter een waterafsluitende laag in de ondergrond die ervoor zorgt dat  het water heel moeilijk in de ondergrond dringt. De kippenfabriek zal wel water oppompen onder deze 6m, dit is onze buffer voor drinkbaar water.

Mobiliteit: de directe ontsluiting naar de E40 door Hansbeke is nog steeds niet in orde. Momenteel heeft Infrabel een budget voor een tunnel … maar als deze er niet komt, dan dient de traffic doorheen wijken te gebeuren en langsheen een smalle brug. Het zware transport zal wegenis die niet geschikt is voor regelmatig zwaar verkeer om zeep helpen.

Luchtpollutie: Sinds de opkomst van VEA hangt iedereen die een nieuwbouw zet of een grote renovatie doet vast aan EPB energieprestatiebeheer. Iedereen dient een ventilatie systeem te hebben om zo continu verse lucht binnen te halen. Deze systemen kunnen niet uitgezet worden. Daar waar men vroeger een raam open zette om te “verluchten”, is dit nu automatisch. Op dit moment hebben we geen echte problemen, buiten enkele malen per jaar als de boeren het land bemesten “beren”. Bij onderzoek blijkt dat bij kippenstallen er een continuïteit is in stankoverlast. Zowel stank, stof, ammoniakgassen, … Hoe moeten wij ons hiertegen wapenen? heeft u een idee hoe wij onze installaties, die wettelijk verplicht zijn kunnen aanpassen op de kosten van de veroorzaker? De kippenfabriek komt er wel heel makkelijk mee af om slechts 20% aan stofreductie te doen, en verder niets. Als je ziet dat in industriegebieden er firma’s zijn, die waterwassingen moeten toepassen op lucht, extra filters … Dit hoeft blijkbaar allemaal niet bij de kippenfabriek in Zomergem.

Bovendien wil ik u mededelen, dat op een boogscheut van Zomergem, het dorpje Bellem ligt, met ook hier momenteel kleinschalige kippenkwekerijen. Deze werden niet of amper mee in rekening gebracht in de studie van SBB. Bovendien is ook hier een proces tegen een nieuw kippenfabriek bezig. De eigenaar van deze fabriek heeft ook terreinen op een paar 100-den meters van de inplanting van de kippenfabriek van dhr Werbrouck. Wat gaat u doen? als U de ene fabriek toelaat, gaat u de andere er tegenover verbieden? En zo zal vrij snel de hele open ruimte dichtslibben.

Het is net of de hele Zomergemse regio in kleur staat als kippenzone.

SORRY maar wij zijn GEEN KIPPEN, wij PIKKEN dit niet.

Waarom blijft voor ons de vraag? Waarom kan het bedrijf niet in Sinaai blijven en zich daar aanpassen aan zijn habitat? Waarom het probleem verschuiven? Waarom dan ook nog eens vergroten?

En dan nog wat … de bouwgronden in Zomergem liggen qua kostprijs tussen de 200 à 300 EUR. Voor de gewone werkende man in de straat kost een stuk bouwgrond al vlug 200.000 EUR à 300.000 EUR afhankelijk van de grootte van het terrein en dan staat er nog geen woning op. De kippenfabriek komt op een stuk grond dat vermoedelijk zelfs die prijs niet kost, en waar een boer zijn stulpje kan op zetten ook al is dit geen bouwgrond.

De inwoners hebben destijds deze kostprijzen moeten betalen en zien alles, ook de waarde van de woonst gewoon dalen. We hebben al amper een interest op de spaarboekjes, dat ook nog eens ons vastgoed gaat zakken in waarde.

Voor dit alles, DANK U WEL mevrouw de Minister

Hopelijk komt u nog terug op uw beslissing

Met vriendelijke Groeten

Wim La Fontaine – Haagstraat Zomergem

*************************************************************************************

12/02/2018

Mevrouw de minister,

Het is onbegrijpelijk dat U de belangen van één kippenbedrijf en de veevoederindustrie laat primeren op de vraag en het streven van honderden gezinnen, waarvan vele met nog jonge kinderen, naar een gezonde leefomgeving en het behoud van het nog schaarse open landschap.

Kunt u deze beslissing herzien aub?

Met vriendelijke groeten,

Jan Van Vooren – Haagstraat, Zomergem

P.S.: En wat met die kippen. Nog zo veel dierenleed er bij!!!!!!!

*************************************************************************************

02/02/2018

Mevrouw de minister,

Wij zijn totaal verstomd en vinden het absoluut onbegrijpelijk dat u onlangs de milieuvergunning hebt goedgekeurd voor een industriële kippenkwekerij in de Spinhoutstraat in Zomergem.

We lazen in uw beslissing dat er hier geen sprake is van open ruimte????
We denken- durven alsnog te hopen – dat deze zin hier verkeerd staat en in een ander dossier thuis hoort, waar u de vergunning nog voor moet geven.
Want deze inplanting gebeurt immers wel in de laatste zuidwaartse Open Ruimte die Zomergem nog heeft.
Misschien komt u dit best zelf eens ter plaatse nachecken?

Naast dit aspect van open ruimte staan er nog verschillende punten in uw vergunning, die we absoluut en gemakkelijk kunnen weerleggen.

U bent toch –naast minister van landbouw – ook minister van natuur? Twee bevoegdheden die evenwaardig (zouden moeten) zijn?
In deze tijd-waar zoveel natuur langzaam maar zeker beetje bij beetje verdwijnt- zou u toch zeker heel erg moeten instaan om open ruimtes te beschermen en te bewaren.
U hebt daarvoor immers de bevoegdheid.

Dit dossier leeft in gans Zomergem, niet enkel bij de naaste betrokkenen. Met uw beslissing heeft u veel inwoners ontgoocheld, die niet langer in ‘uw natuurbeleid’ kunnen geloven.

Met heel ontgoochelde groeten,

Annemie De Bie
gemeenteraadslid Groen-Zomergem

*************************************************************************************

Pepijn De Coninck (@PepijnDeConinck) heeft getweet om 10:54 a.m. on wo, jan. 31, 2018:
@JokeSchauvliege je mag gerust weten dat veel jonge gezinnen nu heel ontstemd zijn dat er door Uw beslissing een kippenFABRIEK zal gebouwd worden in onze achtertuin en mooi landelijk Zomergem. De volgende generatie wordt niks meer gegund! Echt proficiat!